Internationaal samengevat, week 39: Brussel legt het bewijs op tafel, Engeland wil edtech eerst testen, Jetten ziet kansen en Amerikaanse districten trekken de stekker uit
basisonderwijssecundair-onderwijshoger-onderwijs vakoverschrijdend onderzoek-en-evidentiebeleid-en-regelgevingprofessionaliseringtools-en-platformenai-geletterdheid eunederlandinternationaal digest-internationaal
Deze week internationaal: twee nieuwe Europese rapporten over AI en digitaal onderwijs, een Engels onderzoek dat de bewijslast bij edtech-leveranciers legt, een Nederlandse premier die AI in de klas wil en Amerikaanse districten die net op de rem staan. De feiten staan er telkens met bron bij — de duiding voor Vlaanderen is onze interpretatie.
1. EU: de Commissie brengt twee rapporten uit — AI verbetert prestaties, maar niet vanzelf het leren, en slechts drie op tien leraren kreeg AI-nascholing. Op 22 september publiceerde de Europese Commissie twee rapporten over AI en digitaal onderwijs (European Education Area, 22 september). Het eerste, “Friend or foe?”, is een overzicht van het wetenschappelijk bewijs over generatieve AI in leren en lesgeven. Kernpunten: vier op tien EU-jongeren van 16 tot 24 gebruikten in 2025 generatieve AI voor hun opleiding (Eurostat); AI kan prestaties verbeteren, maar dat betekent niet noodzakelijk beter leren; educatieve AI-tools leveren doorgaans betere leerresultaten op dan algemene tools; en slechts 29,7 procent van de EU-leraren in TALIS 2024 volgde professionalisering over AI. Het tweede rapport, het Eurydice-rapport “Digital education at school in Europe 2026”, vergelijkt 38 onderwijssystemen en gebruikt ICILS 2023-data (Eurydice, 22 september). Bijna twee derde van de systemen heeft intussen een AI-strategie, richtlijn of beleidskader, maar de toegang tot geavanceerde AI-tools op schoolniveau blijft ongelijk, en slechts een minderheid neemt digitaal onderwijs systematisch op in kwaliteitszorg. Beide rapporten voeden het komende Europese “Education Package” over basisvaardigheden, leraren en digitale infrastructuur.
Wat betekent dit voor Vlaanderen? De Vlaamse Gemeenschap is een apart onderwijssysteem binnen het Eurydice-netwerk, dus dit rapport is ook een spiegel voor het Vlaamse beleid. Twee bevindingen springen eruit. De vaststelling dat educatieve tools beter scoren dan algemene chatbots sluit aan bij het Amerikaanse veldwerk uit vorige week, en is een argument om bij Digisprong-aankopen te kijken naar doelgerichte tools in plaats van naar generieke licenties. En het cijfer van 29,7 procent AI-nascholing is een ijkpunt: de European Teacher Survey en het Apache-stuk over beleid dat achterop hinkt wijzen in dezelfde richting. Dat evaluatie en kwaliteitszorg Europees achterblijven, is ook relevant voor de onderwijsinspectie: wie AI-beleid van scholen verwacht, moet ook bepalen hoe dat opgevolgd wordt.
2. Engeland: de meeste claims van edtech-bedrijven zijn niet te controleren, en de overheid start een testprogramma van 24 miljoen pond. Een door het Britse Department for Education (DfE) gefinancierde pilot van de Chartered College of Teaching, het “ed tech evidence board”, onderzocht van december 2024 tot april 2026 de kwaliteit van het bewijs achter edtech-producten (Schools Week, 24 september). Conclusie: bewijs is vaak “gefragmenteerd” en sluit slecht aan bij wat bedrijven beweren; op een steekproef van websites maakte ongeveer de helft claims over werkdrukverlaging of betere leerresultaten, maar die waren “op enkele uitzonderingen na onmogelijk te staven” omdat het onderzoek niet gedeeld werd. Minder dan de helft van 86 bevraagde leveranciers vond onderzoek naar effectiviteit “zeer belangrijk” voor hun beslissingen. Tegelijk kondigde de overheid een vierjarig programma van 24 miljoen pond aan in meer dan 1.000 scholen en colleges: eerst 100 evaluaties van tools die scholen al gebruiken, daarna tot 15 gerandomiseerde studies door de Education Endowment Foundation.
Wat betekent dit voor Vlaanderen? Vlaanderen heeft geen equivalent van een onafhankelijke evidentieraad voor edtech; scholen en ICT-coördinatoren beoordelen claims van leveranciers grotendeels zelf. De vragen die het Engelse rapport scholen aanreikt (waar is het bewijs, wie waren de deelnemers, welke methode werd gebruikt?) zijn direct bruikbaar in elke aankoopprocedure. Op beleidsniveau is het Engelse model interessant omdat het de bewijslast deels bij de leverancier legt en tegelijk publiek onderzoek financiert. Een Vlaamse variant, bijvoorbeeld gekoppeld aan de Digisprong-middelen of aan de subsidieaanvraag voor ‘AI-wijs onderwijs’ van de universiteiten, zou voorkomen dat elke school afzonderlijk hetzelfde uitzoekwerk doet.
3. Nederland: premier Jetten wil AI in het onderwijs een “goede plek” geven als “hulpmiddel om meer te leren”. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de Tweede Kamer zei premier Rob Jetten dat AI “Nederland enorme kansen” biedt en dat er meer geïnvesteerd moet worden in AI-infrastructuur (DUB/HOP, 18 september). AI moet volgens hem ook beter worden ingezet in het onderwijs; hij verwees naar Estland en Singapore, waar digitale vaardigheden “op een goede en doordachte manier onderdeel zijn geworden van het lespakket”. Jetten wil daarover met het onderwijs en studenten in gesprek gaan; hoe dat er concreet uitziet, is nog onduidelijk. Het artikel wijst er ook op dat SURF, de ict-coöperatie voor onderwijs en onderzoek, aan een landelijk AI-platform werkt, en dat vorig jaar 500 onderzoekers in een open brief opriepen tot een kritischere houding tegenover AI in het onderwijs.
Wat betekent dit voor Vlaanderen? Een regeringsleider die AI in het onderwijs expliciet als kans framet, is een signaal, maar zonder plan of budget blijft het voorlopig bij woorden. Voor Vlaanderen is vooral het SURF-spoor interessant: een publiek, gedeeld AI-platform voor onderwijsinstellingen, waarmee Nederland minder afhankelijk wordt van individuele licenties bij Amerikaanse bedrijven. Vlaanderen heeft geen evenknie van SURF met dat mandaat; de vraag wie hier zo’n gedeelde infrastructuur zou kunnen dragen (het Departement, de koepels, een samenwerking van hogescholen en universiteiten) is de moeite waard om te stellen. Dat de Nederlandse discussie tegelijk een sterke kritische stem kent, herinnert eraan dat “AI als hulpmiddel om meer te leren” pas waar wordt als het ontwerp het denkwerk bij de leerling laat.
4. VS: de twee grootste schooldistricten schorten AI voor leerlingen op, en experten vrezen een domino-effect. New York City Public Schools en het Los Angeles Unified School District, de twee grootste Amerikaanse districten, voerden begin september beperkingen in op het gebruik van AI-tools door leerlingen voor het schooljaar 2026-27 (K-12 Dive, 17 september). Los Angeles beperkt het gebruik voor alle leerlingen terwijl het district zijn AI-beleid herziet (K-12 Dive, 3 september); New York pauzeert AI voor leerlingen in het lager en middelbaar (“elementary, middle school”). Volgens K-12 Dive kwamen beide moratoria voort uit acties van ouders, buurtbewoners en leraren, met zorgen over de bescherming van leerlingdata en welzijn en twijfel of AI leerresultaten verbetert. Sommige edtech-experten vrezen dat andere districten volgen.
Wat betekent dit voor Vlaanderen? We schreven eerder al over New York; dat Los Angeles volgt, maakt er een trend van in plaats van een uitzondering. Opvallend is dat de druk van onderuit kwam, van ouders en leraren, en niet van de overheid. In Vlaanderen ligt de beslissing over AI-gebruik grotendeels bij de schoolbesturen en in het schoolreglement, wat betekent dat ook hier ouderraden en schoolraden een rol kunnen opeisen. Een verbod is een duidelijk signaal, maar lost de onderliggende vragen niet op: leerlingen gebruiken AI thuis toch. Scholen die nu al transparant zijn over welke tools ze gebruiken, welke data die bewaren en waarom, voorkomen dat het debat pas op gang komt als het vertrouwen al weg is.
Vorige editie gemist? Je vindt ze hier: Internationaal samengevat, week 38.
Volgende week een nieuwe editie. Suggesties voor bronnen die we moeten volgen? Open een issue op GitHub.